Deze pagina is bedoeld voor leerlingen uit de bovenbouw van het voortgezet onderwijs. Je onderzoekt taal als een samenhangend systeem en leert taalverschijnselen vergelijken en verklaren.

De niveau-indeling is een globale inschatting. Kies gerust Niveau 1 als je rustiger wilt beginnen. Wil je meer uitdaging, dan kun je ook onderdelen van Niveau 3 bekijken.

Je kunt deze pagina gebruiken zonder eerst Niveau 1 te volgen. De basis wordt hier opnieuw uitgelegd, maar met meer taalkundige begrippen en moeilijkere voorbeelden.

Wat is taalkunde?

Taalkunde is de wetenschap die onderzoekt hoe mensen taal vormen, begrijpen, gebruiken en veranderen. Taalkundigen kijken niet alleen naar schoolregels. Ze onderzoeken vooral welke patronen mensen in gesproken en geschreven taal gebruiken.

Op school moet je regels voor spelling en grammatica kennen en toepassen. Die regels heb je nodig voor opdrachten, toetsen en examens. Taalkunde beschrijft daarnaast hoe taal werkelijk werkt en helpt verklaren waarom veel regels en taalverschillen bestaan.

Wat leer je hier?

Op dit niveau leer je:

  • verschillende onderdelen van taal herkennen;
  • klanken, woorden en zinnen analyseren;
  • taalregels verbinden met het taalsysteem erachter;
  • uitleggen hoe betekenis door woorden, zinnen en situaties ontstaat;
  • taalvarianten met elkaar vergelijken;
  • onderzoeken hoe taal verandert.

De taalkundige vakgebieden

  • Fonetiek (spraakklanken) onderzoekt hoe mensen spraakklanken maken en waarnemen.
  • Fonologie (klanken in taal) onderzoekt hoe klanken binnen een taal betekenis kunnen onderscheiden.
  • Morfologie (woorden) onderzoekt hoe woorden uit kleinere betekenisdragende delen zijn opgebouwd.
  • Syntaxis (zinnen) onderzoekt hoe woorden samen woordgroepen en zinnen vormen.
  • Semantiek (betekenis) onderzoekt de betekenis van woorden en zinnen.
  • Pragmatiek (taal in een situatie) onderzoekt wat iemand in een concrete situatie bedoelt.
  • Sociolinguïstiek (taal en samenleving) onderzoekt waarom mensen en groepen verschillend spreken.
  • Historische taalkunde (taal door de tijd) onderzoekt hoe klanken, woorden, betekenissen en grammatica veranderen.

Begin bij de uitlegkaarten

Begin met Wat is taalkunde? voor een overzicht van de vakgebieden. Kies daarna een uitlegkaart die past bij jouw vraag.

De kaarten beginnen met een herkenbaar voorbeeld. Daarna ontdek je stap voor stap welk patroon een taalkundige onderzoekt. Je hoeft niet alle vaktermen vooraf te kennen.

Begin met een taalvraag

Je kunt ook beginnen bij een vraag uit het taalonderwijs:

  • Hoe vind je de persoonsvorm en het onderwerp?
  • Wanneer schrijf je d, t of dt?
  • Wanneer schrijf je -de, -te, -den of -ten?
  • Hoe herken je woordgroepen en zinsdelen?
  • Waarom verandert de woordvolgorde in een vraag of bijzin?
  • Hoe kan één zin twee betekenissen hebben?
  • Hoe kies je passende taal voor een e-mail, verslag of sollicitatiebrief?
  • Wanneer gebruik je dialect, straattaal of Standaardnederlands?
  • Waar komt een woord vandaan en waarom verandert het?

Bij iedere taalvraag vind je twee antwoorden. Eerst lees je wat je voor school moet kennen en toepassen. Daarna krijg je een taalkundige verklaring van het systeem achter de regel.

Denkvraag

Bekijk het woord schoolboeken. Je kunt het verdelen in school, boek en -en. Welke betekenis voegt ieder deel toe? Het kleinste deel met een betekenis of functie heet een morfeem.

Onder deze basisroute vind je verdiepingspagina’s, blogs en taalweetjes. Je kunt daar meer lezen over onderwerpen als fonologie, morfologie, semantiek, pragmatiek, woordvorming en taalverandering.

Wil je rustiger beginnen? Ga naar Niveau 1 – Onderbouw VO. Wil je verder met meer verdieping en toepassing? Ga dan naar Niveau 3 – MBO 1+2.

Verder verkennen

Wil je verder de diepte in? Hieronder vind je een aantal vervolgpagina’s per onderwerp.