Pragmatiek

Wanneer we het over betekenis in taal hebben, denken veel mensen eerst aan woordenboeken en zinnen: wat betekent dit woord, wat wil deze zin zeggen? De tak van de taalkunde die zich daarop richt, heet semantiek. Maar in het echte leven gebruiken we taal nooit los van een situatie. Wie spreekt er, tegen wie, op welke plek, met welk doel, met welke voorkennis, op welke toon? Dat is het domein van de pragmatiek: de studie van hoe mensen taal gebruiken in concrete contexten om dingen te doen. Waar semantiek zich vooral bezighoudt met de betekenis die in woorden en zinsstructuren ligt vastgelegd, kijkt pragmatiek naar de extra betekenis die ontstaat door de situatie, de relaties tussen sprekers en de onuitgesproken regels van communicatie. De zin Het is hier fris heeft semantisch vooral te maken met temperatuur, maar pragmatisch kan hij, afhankelijk van de omstandigheden, ook betekenen: Doe het raam dicht of Mag de verwarming wat hoger?

Die verschuiving van betekenis, van letterlijk naar bedoeld, maakt meteen duidelijk waarom pragmatiek een eigen onderzoeksgebied is naast semantiek. De semantiek van Kun je het raam dichtdoen? gaat over vermogen: of iemand in staat is om het raam te sluiten. In een normale gesprekssituatie hoort iedereen dit echter als een verzoek, niet als een vraag naar spierkracht. Pragmatiek onderzoekt hoe we dat weten, welke kennis en verwachtingen we gebruiken om zo’n uiting anders te interpreteren dan strikt letterlijk, en hoe die interpretatie kan mislukken als mensen andere verwachtingen hebben. Zo wordt pragmatiek ook relevant voor onderwijs, taalbeheersing, logopedie en interculturele communicatie: wie alleen de semantiek beheerst, maar de pragmatische spelregels niet goed kent, kan anderen gemakkelijk voor het hoofd stoten of verkeerd begrepen worden.

Een belangrijk uitgangspunt in de pragmatiek is dat mensen met taal niet alleen informatie overbrengen, maar ook taalhandelingen uitvoeren. De filosofen J. L. Austin en John Searle analyseerden hoe we met woorden handelingen verrichten zoals beloven, bevelen, verontschuldigen of benoemen. Zij maakten onderscheid tussen drie niveaus. De locutionaire handeling is simpel gezegd wat je zegt: de letterlijke zin met haar woorden en grammatica. Als iemand zegt: Ik kom morgen bij je langs, is dat de locutionaire handeling. De illocutionaire handeling is wat je daarmee doet als spreker: bijvoorbeeld beloven, waarschuwen of informeren. In het voorbeeld is de illocutie een belofte: de spreker legt zich vast op een toekomstige handeling. Ten slotte is er de perlocutionaire handeling: het effect dat de uiting op de hoorder heeft, zoals geruststelling, irritatie of enthousiasme. De belofte Ik kom morgen bij je langs kan iemand kalmeren omdat hij dan niet meer alleen is, of juist zenuwachtig maken als het bezoek ongewenst is.

Dat onderscheid tussen locutie, illocutie en perlocutie helpt om beter te begrijpen hoe complex communicatie is. Dezelfde locutionaire handeling kan verschillende illocutionaire waarden hebben. De zin Het tocht hier kan een neutrale constatering zijn, maar ook een verzoek om een raam te sluiten, een klacht over slecht onderhoud of een indirect verwijt dat iemand het raam onnodig open heeft gezet. En telkens kunnen de perlocutionaire effecten verschillen: misschien staat iemand meteen op om het raam te sluiten, misschien ontstaat er een discussie over de verwarming, misschien volgt er een ruzie. In de pragmatiek wordt daarom niet alleen gekeken naar wat grammaticaal mogelijk is, maar ook naar wat mensen in een bepaalde situatie willen bereiken en hoe ze hun uitingen zo formuleren dat de kans het grootst is dat de ander het gewenste effect ervaart.

Taalhandelingen kunnen bovendien op een meer of minder directe manier geformuleerd worden. Een directe taalhandeling is een uiting waarbij de grammaticale vorm vrij duidelijk overeenkomt met de illocutionaire functie. Een zin als Doe het raam dicht is bijvoorbeeld een gebiedende wijs en wordt ook als bevel of verzoek opgevat. Een indirecte taalhandeling gebruikt een andere grammaticale vorm om dezelfde illocutie uit te voeren. Als iemand zegt: Zou je het raam misschien dicht willen doen?, staat er grammaticaal een vraag naar bereidheid, maar pragmatisch hoort iedereen dit als een verzoek. Die indirectheid maakt taal vaak beleefder, omdat de spreker ruimte laat voor de ander om te weigeren en de eigen wens verpakt in een ogenschijnlijk onschuldige vraag of mededeling. In het Nederlands is het heel gebruikelijk om via indirecte vragen zoals Kun je… of Wil je misschien… eigenlijk bevelen of opdrachten te geven.

Of een taalhandeling als direct of indirect overkomt, hangt sterk af van de situatie en de relatie tussen de gesprekspartners. Een leerkracht in de klas die zegt: Magten jullie je boek op bladzijde twintig open? gebruikt grammaticaal een vraag, maar iedereen begrijpt dat het hier gaat om een opdracht. Omgekeerd kan een leerling tegen een docent zeggen: Ik kom even later naar de les. Dat lijkt een neutrale mededeling, maar kan in feite een verzoek of zelfs een uitdaging inhouden: de leerling gaat ervan uit dat de docent dit accepteert. In zulke gevallen is het interessant om na te denken over de verborgen illocutie: wat doet iemand met deze zin, en hoe kan de ander daarop reageren zonder de sociale verhoudingen te verstoren?

De filosoof H. P. Grice probeerde te verklaren hoe het kan dat we elkaar in gewone gesprekken zo vaak probleemloos begrijpen, ondanks al die indirectheid en onuitgesproken bedoelingen. Hij stelde dat communicatie berust op een soort gedeeld uitgangspunt, de coöperatiegrondregel: sprekers en hoorders gaan ervan uit dat de ander in principe meewerkt om het gesprek zinvol te maken. Vanuit die gedachte formuleerde Grice vier conversationele maximes. De maxim van kwantiteit zegt dat je niet te weinig, maar ook niet te veel moet zeggen: geef precies zoveel informatie als nodig is. De maxim van kwaliteit houdt in dat je niet moet zeggen wat je voor onwaar houdt en geen beweringen moet doen zonder voldoende bewijs. De maxim van relatie vraagt dat je relevant bent: wat je zegt moet verband houden met het onderwerp. Tot slot is er de maxim van wijze, die oproept tot duidelijkheid: vermijd vaagheid en dubbelzinnigheid en formuleer ordelijk.

In het dagelijks leven houden we ons natuurlijk niet steeds bewust aan deze maximes, maar ze helpen wel om te begrijpen hoe misverstanden ontstaan. Als iemand midden in een uitleg ineens zegt: Trouwens, ik ga morgen op vakantie, kan dat in strijd lijken met de maxim van relatie: de opmerking is niet relevant voor het lopende onderwerp. Een ander kan dan reageren met: Wat heeft dat hiermee te maken? Soms schenden sprekers de maximes opzettelijk om een extra laag betekenis te creëren. Wie op een heel uitgebreid proefwerk alleen zegt: Het was wel aardig, geeft ogenschijnlijk weinig informatie (kwantiteit), maar juist daardoor kan de hoorder begrijpen dat de spreker eigenlijk niet erg enthousiast is. Door van de maximes af te wijken, wek je bepaalde verwachtingen bij de ander, en daarop bouwt een belangrijk begrip voort: de conversationele implicatuur.

Een conversationele implicatuur is betekenis die niet letterlijk in de woorden zit, maar die de hoorder redelijkerwijs mag afleiden op basis van de aanname dat de spreker zich in grote lijnen aan de coöperatiegrondregel houdt. Stel dat je vraagt: Hoe vond je mijn presentatie? en de ander antwoordt: Je slides waren heel duidelijk. Letterlijk zegt die persoon alleen iets over de dia’s, maar omdat je verwacht dat hij of zij zoveel mogelijk relevante informatie geeft, leid je af dat er blijkbaar iets aan de rest van de presentatie schortte. Die afgeleide boodschap is de implicatuur. Belangrijk is dat implicaturen in principe annuleerbaar zijn: iemand kan eraan toevoegen: …en de rest ook trouwens, waardoor de negatieve implicatuur verdwijnt. In de pragmatiek wordt veel onderzocht hoe luisteraars zulke implicaturen precies construeren, en hoe dit proces beïnvloed wordt door culturele normen, voorkennis en de onderlinge relatie.

Pragmatiek houdt zich niet alleen bezig met samenwerking, maar ook met beleefdheid en mogelijke conflicten. De sociolinguïsten Penelope Brown en Stephen Levinson introduceerden de invloedrijke beleefdheidstheorie, gebaseerd op het begrip face, vaak vertaald als gezicht. Daarmee bedoelen zij het beeld dat mensen van zichzelf willen ophouden: het positieve gevoel dat je geaccepteerd en gewaardeerd wordt, en het negatieve gevoel dat je vrij wilt zijn van dwang en inmenging. Veel uitingen in het dagelijks leven zijn gezichtsbedreigende handelingen: ze kunnen het gezicht van de spreker of de hoorder aantasten. Een directe kritiek als Je verslag is slordig bedreigt iemands positieve gezicht, omdat die persoon zich afgewezen kan voelen. Een bevel als Je moet dit nú afmaken bedreigt het negatieve gezicht, omdat het vrijheid beperkt.

Volgens Brown en Levinson ontwikkelen mensen allerlei strategieën om met zulke gezichtsbedreigende handelingen om te gaan. Ze kunnen de inhoud verzachten, bijvoorbeeld door te zeggen: Misschien kun je nog even naar de lay-out van je verslag kijken, er zitten hier en daar wat slordigheden in in plaats van de botte versie. Ze kunnen gebruikmaken van indirecte formuleringen zoals Zou je misschien… om een bevel te verzachten, of extra beleefdheidsmarkeringen toevoegen als alsjeblieft, als u wilt of sorry dat ik je stoor. Ook het benadrukken van gemeenschappelijkheid, zoals We moeten dit samen nog wat strakker maken, kan helpen om het gezicht van de ander te beschermen. In verschillende talen en culturen zijn andere beleefdheidsvormen gebruikelijk, maar overal speelt het evenwicht tussen zeggen wat nodig is en respect tonen voor het gezicht van de ander een grote rol. Voor leerlingen en studenten kan inzicht in die mechanismen helpen om beter te begrijpen waarom sommige formuleringen als bot, brutaal of juist overdreven beleefd overkomen.

Een ander belangrijk onderwerp binnen de pragmatiek is deixis, oftewel verwijzing naar personen, plaatsen, tijden en andere elementen die alleen te begrijpen zijn in relatie tot de concrete situatie. Persoonsdeixis betreft woorden als ik, jij, wij en beleefdheidsvormen als u. Hun referent verandert afhankelijk van wie er spreekt en tot wie. Plaatsdeixis vinden we in woorden als hier, daar, hiernaast en boven, die alleen te interpreteren zijn als je weet waar de spreker zich bevindt. Tijdsdeixis komt voor in uitdrukkingen als nu, straks, gisteren en volgend jaar. De zin Ik zie je morgen hier heeft dus pas duidelijke betekenis als we weten wie er spreekt, op welke plek en op welke kalenderdag. Pragmatiek onderzoekt hoe sprekers en hoorders zulke deiktische elementen gebruiken en begrijpen, en wat er mis kan gaan als de context onduidelijk is, bijvoorbeeld in online gesprekken of bij het teruglezen van oude berichten.

Deixis laat goed zien hoe sterk taal afhankelijk is van context, maar context beperkt zich niet tot tijd en plaats. Onder contextuele interpretatie verstaan we het hele pakket aan factoren dat meebepaalt wat een uiting betekent: de fysieke omgeving, de vorige zinnen in het gesprek, de relatie tussen de gesprekspartners, hun gedeelde kennis en verwachtingen, en zelfs de intonatie en gezichtsuitdrukking. Als een docent na een toets zegt: Dat hebben jullie goed aangepakt, klinkt dat in een klas die normaal slecht presteert misschien als groot compliment, terwijl het in een topklas juist kan klinken als een wat lauwe reactie. Dezelfde woorden, maar een andere context, leiden tot een andere interpretatie. Wanneer iemand tegen een goede vriend zegt: Je bent ook altijd op tijd terwijl die vriend weer eens te laat is, begrijpen we door de situatie en de toon dat de spreker ironisch is. Zonder die context zou de zin letterlijk als compliment klinken.

Voor taalkundigen is het een uitdaging om te beschrijven welke contextinformatie luisteraars precies gebruiken en hoe ze die combineren met de taalkundige vorm. We hebben allerlei impliciete regels aangeleerd, zoals dat een vraag als Heb je misschien een pen voor mij? meestal niet bedoeld is als zuivere informatievraag, maar als verzoek. We weten ook dat een veelbetekenende stilte, een zucht of juist een overdreven enthousiaste reactie de betekenis van woorden kan versterken of ondergraven. In de pragmatiek worden zulke verschijnselen bestudeerd in alledaagse gesprekken, maar ook in institutionele contexten zoals rechtszaken, doktersconsulten en sollicitatiegesprekken, waar kleine pragmatische verschillen grote gevolgen kunnen hebben voor hoe iemand wordt beoordeeld of begrepen.

Pragmatische verschijnselen spelen een grote rol in humor, ironie en sarcasme. Veel grappen werken met een soort schending van verwachtingen: de luisteraar denkt op basis van de context en de conversationele maximes te weten waar het heen gaat, maar de pointe doorbreekt die verwachting. In een mop waarin iemand zegt: Maak je geen zorgen, ik ben een expert, en daarna meteen een grote fout maakt, is de grap gebaseerd op het contrast tussen de geclaimde expertise en de werkelijkheid. Ironie berust vaak op het zeggen van het tegenovergestelde van wat je bedoelt, maar dan zo dat de ander door intonatie en context toch de bedoelde betekenis herkent. Als iemand in een regenbui zegt: Wat een heerlijk weer, begrijpt iedereen dat dit ironisch bedoeld is. Sarcasme is doorgaans scherper en meer aanvallend; de ironie wordt gebruikt om iemand te kleineren, bijvoorbeeld in een opmerking als Heel knap dat je wéér je huiswerk bent vergeten. Voor wie de pragmatische signalen niet goed kan lezen, zoals sommige jonge kinderen of mensen met een autismespectrumstoornis, kunnen ironie en sarcasme moeilijk te doorgronden zijn, omdat de letterlijke semantiek niet overeenkomt met de bedoelde boodschap.

Als we alle besproken onderdelen samen bekijken, wordt duidelijk hoe pragmatiek de taalkundige cirkel van klank tot gebruik compleet maakt. Bij fonetiek en fonologie bestuderen we hoe klanken geproduceerd en georganiseerd worden, bij morfologie hoe woorden zijn opgebouwd uit kleinere betekenisdragende eenheden, bij syntaxis hoe woorden zich tot zinnen vormen, en bij semantiek welke betekenis in die woorden en zinnen ligt vastgelegd. De pragmatiek tenslotte vraagt: wat doen mensen met die klanken, woorden en zinnen in echte situaties? Hoe gebruiken ze taal om te beloven, te bevelen, te grappen, te beledigen, te troosten of te overtuigen? Hoe zorgen context, implicaturen, beleefdheid en deixis ervoor dat een uiting meer betekent dan de som van haar woorden? Door ook dat laatste niveau te begrijpen, zie je taal niet meer als een statisch systeem van regels en vormen, maar als een levend middel waarmee mensen voortdurend sociale relaties vormgeven, kennis uitwisselen en samen de werkelijkheid construeren.

Lees ook