Nieuwe kennis begrijpen is meer dan begrippen uit het hoofd leren. Je probeert te ontdekken wat nieuwe informatie betekent en hoe deze samenhangt met wat je al weet. Dat gebeurt tijdens het lezen van een schooltekst, maar ook wanneer je naar uitleg luistert, een verslag schrijft of een vakgesprek voert.
Begin bij wat je al weet
Bekijk eerst het onderwerp en het doel van de taak. Vraag jezelf af wat je al over het onderwerp weet en welke informatie nieuw is. Let daarbij op de titel, tussenkoppen, afbeeldingen, voorbeelden en belangrijke begrippen. Voorkennis kan je helpen, maar controleer altijd of je eerdere kennis werkelijk bij de nieuwe situatie past.
Onderzoek een onbekend begrip
Lees de zin vóór en na het onbekende begrip. Kijk of de tekst een uitleg, voorbeeld, tegenstelling of afbeelding geeft. Soms helpen ook de woorddelen. Het woord onmogelijkheid kan bijvoorbeeld worden verdeeld in on-, mogelijk en -heid. Deze delen geven samen een aanwijzing voor de betekenis. Niet ieder woord is zo volledig te verklaren. Controleer je voorlopige betekenis daarom in de tekst, een woordenboek, een betrouwbare bron of bij je docent.
Verbind de nieuwe kennis
Koppel een nieuw begrip aan iets wat je al kent. Zoek bijvoorbeeld een overeenkomst, verschil, oorzaak, gevolg of concreet voorbeeld. Je kunt hiervoor een klein schema, een woordweb of enkele kernwoorden gebruiken. Een begrip uit een beroepsvak wordt duidelijker wanneer je het verbindt met een situatie uit de praktijk. Nieuwe kennis blijft zo niet losstaan, maar krijgt een plaats tussen andere kennis.
Leg het in eigen woorden uit
Probeer het begrip zonder de oorspronkelijke tekst uit te leggen. Schrijf één of twee zinnen, geef een voorbeeld of vertel de uitleg aan iemand anders. Alleen een zin overschrijven laat nog niet zien dat je de inhoud begrijpt. Als je het begrip niet duidelijk kunt uitleggen, ga dan terug naar de tekst en onderzoek welk onderdeel nog ontbreekt.
Een aanpak in vier fasen
Oriënteren: Wat is het onderwerp, wat is het doel en wat weet je al?
Plannen: Welke begrippen of passages moet je onderzoeken en welke hulpmiddelen kun je gebruiken?
Uitvoeren: Lees of luister aandachtig, onderzoek onbekende begrippen en leg verbanden met voorbeelden en voorkennis.
Evalueren: Kun je de nieuwe kennis in eigen woorden uitleggen en in een andere situatie herkennen of gebruiken?
Als je vastloopt
Probeer precies vast te stellen wat je niet begrijpt. Is één woord onbekend, is een zin ingewikkeld, ontbreekt er voorkennis of begrijp je de stap tussen twee ideeën niet? Lees het betreffende gedeelte opnieuw, bekijk een voorbeeld of zoek gerichte uitleg. Vraag zo nodig hulp met een concrete vraag, zoals: ‘Ik begrijp dit begrip, maar niet hoe het bij het voorbeeld past.’ Daarmee kan iemand je gerichter helpen dan wanneer je alleen zegt dat je de hele tekst niet begrijpt.
