Klanken ontstaan niet vanzelf. Je lichaam — longen, stembanden, tong, lippen en gehemelte — werkt samen om spraak te maken. De studie van hoe klanken worden gevormd heet articulatie.

De spraakorganen

Voor spraak heb je verschillende onderdelen van je lichaam nodig. Samen vormen ze het spraakkanaal. Hieronder staan de belangrijkste spraakorganen en wat ze doen.

  • Longen: zorgen voor de luchtstroom. Zonder lucht geen spraak. De lucht uit je longen duw je langs je stembanden en door je mond.
  • Stembanden: twee kleine plooien in het strottenhoofd. Ze trillen bij stemhebbende klanken, zoals /b/ of /z/. Ze staan stil en uit elkaar bij stemloze klanken, zoals /p/ of /s/.
  • Tong: het meest beweeglijke spraakorgaan. De tong kan voorin, midden of achterin de mond staan en kan hoog of laag bewegen. Daardoor kun je veel verschillende klanken maken, zoals /t/, /s/, /j/ maar ook klinkers als /i/ in fiets.
  • Lippen: gaan open en dicht en kunnen naar voren worden gerond. Ze zijn belangrijk voor klanken als /p/, /b/, /m/ en voor klinkers als /u/ in boek.
  • Gehemelte: het dak van je mond. Voorin is het hard (hard gehemelte), achterin zacht (zacht gehemelte of velum). Dit zijn belangrijke articulatieplaatsen voor klanken zoals /t/ in tak (voorin) en /k/ in kop (achterin).
  • Neus: bij nasale klanken, zoals /m/, /n/ en /ŋ/ (de ng in lang), stroomt een deel van de lucht door de neus. Het zachte gehemelte laat dan een opening naar de neusholte vrij.

Medeklinkers beschrijven

Medeklinkers kun je beschrijven met drie kenmerken: waar in de mond de klank wordt gemaakt, hoe de luchtstroom wordt veranderd en of de stembanden trillen. Die drie kenmerken zijn: articulatieplaats, articulatiewijze en stemgeving.

Articulatieplaats (waar?)

De articulatieplaats geeft aan waar in je mond of keel de klank wordt gevormd. Meestal gaat het om twee delen die elkaar raken of dicht bij elkaar komen.

  • Bilabiaal (twee lippen): klanken waarbij beide lippen samenkomen, zoals /p/, /b/, /m/ in pak, bak, maan.
  • Labiodentaal (lip + tand): de onderlip raakt de bovenste tanden, zoals bij /f/ en /v/ in fiets en vuur.
  • Alveolaar (tandwal): de tong raakt de tandwal (het randje net achter de voortanden), zoals bij /t/, /d/, /n/, /s/, /z/, /l/, /r/ in tak, dak, noot, zoet, laat, rood.
  • Velaar (zacht gehemelte): de achterkant van de tong raakt het zachte gehemelte, zoals bij /k/, /ɡ/, /ŋ/, /x/, /ɣ/ in kop, goal, lang, lach, regel.
  • Glottaal (keelholte): de klank wordt gemaakt bij de stemspleet (glottis), tussen de stembanden, zoals /h/ in huis.

Articulatiewijze (hoe?)

De articulatiewijze beschrijft hoe de luchtstroom wordt veranderd. Wordt de lucht even helemaal tegengehouden, of stroomt hij met wrijving langs een nauwe opening?

  • Plosief (stop): de luchtstroom wordt kort volledig geblokkeerd en daarna losgelaten. Voorbeelden: /p/, /b/, /t/, /d/, /k/ in pap, bed, tak, dak, kat.
  • Fricatief (wrijving): de luchtstroom gaat door een nauwe opening en geeft hoorbare wrijving. Voorbeelden: /f/, /v/, /s/, /z/, /x/, /ɣ/ in fiets, veel, zand, huis (in sommige accenten), lach, regen.
  • Nasaal: de lucht gaat (deels) via de neus. De mond is afgesloten door de tong of de lippen. Voorbeelden: /m/, /n/, /ŋ/ in maan, noot, lang.
  • Approximant (glijklank): de articulatoren komen dicht bij elkaar, maar er is weinig of geen hoorbare wrijving. Voorbeelden: /r/, /l/, /ʋ/, /j/ in rood, licht, water (in veel Nederlandse accenten), jaar.

Stemgeving (trillen de stembanden?)

Bij stemhebbende klanken trillen de stembanden. Bij stemloze klanken trillen ze niet. Je kunt dat voelen door je hand op je keel te leggen terwijl je klanken maakt.

Oefening: leg je hand op je keel en zeg langzaam /s/, dan /z/. Bij /s/ voel je geen trilling. Bij /z/ voel je duidelijk trilling. Zo kun je zelf onderzoeken of een klank stemhebbend of stemloos is.

Veel medeklinkers komen in paren voor: één stemloos en één stemhebbend, met verder dezelfde articulatieplaats en articulatiewijze.

  • /p/ (stemloos) ↔ /b/ (stemhebbend)
  • /t/ (stemloos) ↔ /d/ (stemhebbend)
  • /f/ (stemloos) ↔ /v/ (stemhebbend)
  • /s/ (stemloos) ↔ /z/ (stemhebbend)
  • /x/ (stemloos) ↔ /ɣ/ (stemhebbend)

Klinkers beschrijven

Klinkers beschrijf je meestal met drie kenmerken: hoe hoog de tong staat, of de tong meer voorin of achterin de mond staat en of de lippen gerond zijn. Bij klinkers wordt de lucht niet afgesloten: de luchtstroom blijft vrij.

  • Tongstand: hoog of laag. Bij hoge klinkers staat de tong dicht bij het gehemelte, zoals bij /i/ in fiets en /u/ in boek. Bij lage klinkers staat de tong laag in de mond, zoals bij /ɑ/ in man en /aː/ in maan.
  • Tongpositie: voor of achter in de mond. Bij voorklinkers staat de tong meer naar voren, zoals bij /i/ in fiets en /ɛ/ in bed. Bij achterklinkers staat de tong meer naar achteren, zoals bij /u/ in boek en /ɔ/ in bot.
  • Lipronding: gerond of ongerond. Bij geronde klinkers zijn de lippen getuit, zoals bij /u/, /y/, /ø/ in boek, fysiek, leuk. Bij ongeronde klinkers zijn de lippen ontspannen, zoals bij /i/, /ɛ/, /ɑ/ in fiets, bed, man.

Met deze drie kenmerken kun je elke Nederlandse klinker een plaats geven in het klanksysteem. Zo zie je beter hoe de klinkers zich tot elkaar verhouden.

Lees ook

Verder lezen