Beïnvloedt taal ons denken?

Iedereen denkt met taal. We praten in ons hoofd, kiezen woorden voordat we ze uitspreken en gebruiken taal om herinneringen, plannen en ideeën te ordenen. Daardoor lijkt een logische vraag te ontstaan: bepaalt de taal die we spreken ook hoe we denken?

Die vraag houdt taalkundigen, psychologen en filosofen al meer dan een eeuw bezig. Het bekendste antwoord staat bekend als de Sapir-Whorfhypothese, ook wel de hypothese van de linguïstische relativiteit genoemd. Volgens deze theorie oefenen talen invloed uit op de manier waarop mensen de wereld waarnemen en begrijpen. Maar hoe groot is die invloed werkelijk?

Er bestaan twee versies van deze hypothese. De sterke versie stelt dat taal ons denken begrenst. Als een taal geen woord heeft voor een bepaald begrip, zou de spreker dat begrip ook niet kunnen vormen. De zwakke versie is veel voorzichtiger. Die gaat ervan uit dat taal ons denken wel beïnvloedt, maar niet bepaalt. Woorden kunnen bepaalde manieren van denken gemakkelijker maken, zonder andere gedachten onmogelijk te maken.

Om dat te onderzoeken vergelijken wetenschappers talen die de werkelijkheid op verschillende manieren beschrijven. Vervolgens testen zij of sprekers van die talen ook anders denken. Zo ontstaan verrassende experimenten over getallen, ruimte en tijd.

Een bekend voorbeeld komt uit het Amazonegebied, waar de Pirahã leven. Hun taal kent geen uitgebreide reeks telwoorden zoals het Nederlands. In plaats daarvan gebruiken zij slechts enkele globale aanduidingen voor kleine en grotere hoeveelheden. Wanneer onderzoekers hen vragen om precies hetzelfde aantal voorwerpen na te leggen, lukt dat bij kleine aantallen goed, maar bij grotere aantallen neemt de nauwkeurigheid af.

Op het eerste gezicht lijkt dit een bevestiging van de Sapir-Whorfhypothese. Toch blijkt de verklaring subtieler. Wanneer Engelstalige proefpersonen tijdens dezelfde opdracht voortdurend woorden moeten herhalen, kunnen ook zij niet langer nauwkeurig tellen. Hun prestaties worden dan vrijwel gelijk aan die van de Pirahã. Het verschil blijkt dus niet zozeer in het denken zelf te zitten, maar in het hulpmiddel dat de taal biedt. Telwoorden functioneren als een mentale techniek waarmee mensen hoeveelheden kunnen onthouden en vergelijken.

Een vergelijkbaar beeld ontstaat bij de manier waarop talen ruimte beschrijven. In het Nederlands gebruiken we woorden als links, rechts, voor en achter. Deze richtingen zijn afhankelijk van de spreker. Andere talen gebruiken juist vaste windrichtingen als noord, zuid, oost en west. Sprekers van zulke talen blijken vaak een uitzonderlijk goed richtingsgevoel te hebben. Toch laten vervolgonderzoeken zien dat ook Engelstaligen vergelijkbaar gedrag vertonen wanneer zij zich in een omgeving met duidelijke herkenningspunten bevinden. Niet alleen de taal, maar ook de omgeving blijkt dus een belangrijke rol te spelen.

Ook onze voorstelling van tijd verschilt per taal. In het Nederlands ligt de toekomst vóór ons en het verleden achter ons. Andere talen gebruiken juist andere beelden. In het Aymara, een taal uit het Andesgebied, ligt het verleden vóór de spreker, omdat het verleden bekend en als het ware zichtbaar is. De toekomst bevindt zich juist achter de spreker, omdat niemand kan zien wat nog moet komen. Opvallend is dat sprekers van het Aymara deze voorstelling niet alleen in hun taal gebruiken, maar ook in hun gebaren. Zelfs wanneer zij Spaans spreken, wijzen zij bij het verleden naar voren en bij de toekomst naar achteren.

Onderzoek naar zulke verschillen laat zien dat taal en denken nauw met elkaar verbonden zijn, maar niet op de manier die vroeger vaak werd gedacht. Er is geen overtuigend bewijs dat taal bepaalt welke gedachten mensen kunnen hebben. Wel blijkt taal bepaalde denkprocessen te ondersteunen. Woorden helpen ons om informatie te ordenen, onthouden en sneller te verwerken. In die zin is taal vergelijkbaar met een kaart, een kompas of een rekenmachine: een hulpmiddel dat onze cognitieve mogelijkheden uitbreidt, zonder de grenzen van ons denken vast te leggen.

De huidige wetenschappelijke consensus sluit daarom vooral aan bij de zwakke vorm van de Sapir-Whorfhypothese. Taal beïnvloedt ons denken, maar schrijft het niet voor. Zij biedt gereedschap waarmee we de wereld efficiënter kunnen begrijpen, beschrijven en onthouden. Dat maakt taal niet minder bijzonder. Integendeel: juist doordat taal onze natuurlijke denkvermogens ondersteunt, behoort zij tot de krachtigste cognitieve instrumenten die de mens ooit heeft ontwikkeld.