Zelfstandige naamwoorden en naamwoordsgroepen (NP)

In deze module bekijken we hoe zelfstandige naamwoorden werken en hoe ze de kern vormen van een naamwoordsgroep (NP). Deze pagina sluit aan bij de uitleg over werkwoorden en werkwoordsgroepen: waar het werkwoord de kern is van de werkwoordsgroep, is het zelfstandig naamwoord de kern van de naamwoordsgroep.

1. Het zelfstandig naamwoord als kern van de naamwoordsgroep

Een zelfstandig naamwoord (znw) is een woord dat een persoon, dier, ding, plaats, gebeurtenis of abstract begrip benoemt, zoals student, kat, tafel, Amsterdam, bespreking of vrijheid. In de syntaxis zien we het zelfstandig naamwoord meestal niet los, maar als kern van een grotere eenheid: de naamwoordsgroep (NP, van het Engelse noun phrase).

Bekijk de volgende zinnen:

  • Die student leest een artikel.
  • De grote rode fiets staat voor het huis.
  • Onze nieuwe docent taalkunde geeft morgen college.

In elke zin is het vetgedrukte deel een naamwoordsgroep. Binnen die groep is het zelfstandig naamwoord de kern: student, fiets, docent. De andere woorden horen bij die kern en geven extra informatie (bijvoorbeeld hoeveel, welke, wiens).

2. Eigenschappen van zelfstandige naamwoorden

Zelfstandige naamwoorden hebben in het Nederlands een aantal grammaticale eigenschappen. De belangrijkste voor de syntaxis zijn geslacht, getal en het verschil tussen eigennaam en soortnaam.

2.1 Geslacht: de-woorden en het-woorden

In de standaardtaal onderscheiden we twee grammatische geslachten: de-woorden (common gender) en het-woorden (neuter). Het geslacht zie je terug in het lidwoord:

  • de tafel, de boom, de student
  • het huis, het kind, het probleem

Het geslacht is belangrijk omdat het invloed heeft op andere woordsoorten in de naamwoordsgroep, bijvoorbeeld op het bijvoeglijk naamwoord en op voornaamwoorden (die vs. dat).

2.2 Getal: enkelvoud en meervoud

Zelfstandige naamwoorden staan in het enkelvoud of in het meervoud. De vorm hangt af van het aantal en wordt meestal gemarkeerd door een meervoudsuitgang, zoals -en of -s:

  • enkelvoud: tafel, student, college
  • meervoud: tafels, studenten, colleges

Het getal van het zelfstandig naamwoord moet overeenkomen met het werkwoord en soms met andere elementen in de zin. Vergelijk:

  • De student leest het artikel.
  • De studenten lezen het artikel.

2.3 Eigennaam en soortnaam

Een belangrijk semantisch onderscheid is dat tussen eigennamen en soortnamen:

  • Eigennamen verwijzen naar een uniek individu of een unieke plaats: Emma, Amsterdam, Europa, Google.
  • Soortnamen verwijzen naar een categorie of klasse: stad, bedrijf, student, taal.

In de syntaxis gedragen eigennamen zich grotendeels als andere zelfstandige naamwoorden, maar ze komen vaak zonder lidwoord voor:

  • Emma leest een artikel. (eigennaam zonder lidwoord)
  • De student leest een artikel. (soortnaam met lidwoord)

3. De naamwoordsgroep (NP): opbouw

Een naamwoordsgroep (NP) is een groep woorden rondom een zelfstandig naamwoord. In een eenvoudige structuur kunnen we de NP als volgt weergeven:

bepaler + eventuele modificeerders + kern (zelfstandig naamwoord) + eventuele aanvulling

Vergelijk deze voorbeelden:

  • die nieuwe film
    — bepaler: die
    — modificeerder: nieuwe
    — kern: film
  • het boek over syntaxis
    — bepaler: het
    — kern: boek
    — aanvulling: over syntaxis
  • mijn oude laptop van school
    — bepaler: mijn
    — modificeerder: oude
    — kern: laptop
    — aanvulling: van school

De kern is verplicht: zonder zelfstandig naamwoord is er geen NP. Bepalers, modificeerders en aanvullingen zijn optioneel, maar komen in natuurlijke zinnen heel vaak voor.

4. Bepalers in de naamwoordsgroep

Een bepaler (ook wel determinans) is een woord dat aangeeft welke of hoeveel entiteiten we bedoelen. In deze paragraaf focussen we op drie belangrijke soorten bepalers in het Nederlands: lidwoorden, aanwijzende voornaamwoorden en bezittelijke voornaamwoorden.

4.1 Lidwoorden: de, het, een

Lidwoorden zijn kleine woorden die bijna altijd bij een zelfstandig naamwoord staan. In het Nederlands hebben we een bepaald lidwoord (de, het) en een onbepaald lidwoord (een):

  • de student, het artikel, een college
  • de boeken, de problemen, een vraag

Het lidwoord staat meestal helemaal vooraan in de naamwoordsgroep en bepaalt samen met het zelfstandig naamwoord de vorm van de rest van de groep (bijvoorbeeld de vorm van bijvoeglijke naamwoorden).

4.2 Aanwijzende voornaamwoorden: deze, die, dit, dat

Aanwijzende voornaamwoorden geven aan welk object of welke persoon we precies bedoelen, vaak in combinatie met afstand (dichtbij vs. ver weg):

  • deze student (dichtbij, de-woord)
  • die student (verder weg, de-woord)
  • dit boek (dichtbij, het-woord)
  • dat boek (verder weg, het-woord)

Ook deze woorden staan in de NP op de plek van de bepaler en combineren met een zelfstandig naamwoord.

4.3 Bezittelijke voornaamwoorden

Bezittelijke voornaamwoorden drukken bezit of betrokkenheid uit, bijvoorbeeld wie de eigenaar is van het benoemde object:

  • mijn laptop, jouw college, zijn boek, haar plan
  • ons huis, onze studenten, hun project

Deze woorden staan voor het zelfstandig naamwoord en nemen de positie van de bepaler in. In een zin kun je vaak maar één bepaler hebben, dus je combineert ze meestal niet met een lidwoord: de mijn laptop is in de standaardtaal ongrammaticaal.

5. Modificeerders in de naamwoordsgroep

Modificeerders zijn woorden of woordgroepen die extra informatie geven over de kern van de NP. Ze veranderen (modificeren) de betekenis van het zelfstandig naamwoord, maar zijn niet verplicht. De belangrijkste modificeerders binnen de NP zijn bijvoeglijke naamwoorden en bijvoeglijke bijzinnen.

5.1 Bijvoeglijke naamwoorden

Een bijvoeglijk naamwoord binnen de NP beschrijft een eigenschap van het zelfstandig naamwoord. Het staat meestal voor het zelfstandig naamwoord:

  • een moeilijk tentamen
  • de nieuwe docent
  • een interessant linguïstisch artikel

Het bijvoeglijk naamwoord moet in vorm passen bij het zelfstandig naamwoord (bijvoorbeeld wel of geen -e). Voor de details van die verbuiging kun je de pagina over bijvoeglijke naamwoorden en de pagina over inflectie raadplegen.

5.2 Bijvoeglijke bijzinnen binnen de NP

Behalve losse woorden kunnen ook bijzinnen als modificeerder binnen een NP optreden. Die bijzinnen geven extra informatie over de kern en worden daarom bijvoeglijke bijzinnen of relatieve bijzinnen genoemd.

Voorbeelden:

  • de student die naast mij zit
  • het boek dat ik gisteren heb gekocht
  • de theorie waarmee je deze zin kunt analyseren

In deze voorbeelden is de bijzin onderdeel van de NP en hoort dus syntactisch bij het zelfstandig naamwoord (student, boek, theorie).

6. De naamwoordsgroep in de zin

Naamwoordsgroepen kunnen verschillende zinsdelen vormen. De belangrijkste functies zijn: subject, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp en verschillende soorten bepalingen.

6.1 Subject

Het subject (onderwerp) is vaak een NP. Het subject komt overeen met de persoonsvorm in persoon en getal:

  • De student leest het artikel.
  • Onze twee nieuwe docenten geven morgen college.

6.2 Lijdend voorwerp

Het lijdend voorwerp is meestal ook een NP. Het geeft aan wat of wie rechtstreeks betrokken is bij de handeling van het werkwoord:

  • De docent leest het nieuwe artikel.
  • Wij bespreken die interessante casus.

6.3 Meewerkend voorwerp

Het meewerkend voorwerp is vaak een NP die aangeeft voor wie of aan wie iets gebeurt:

  • De docent mailt de studenten de uitslag.
  • Ik stuur mijn begeleider een bericht.

6.4 Bepalingen

NP's kunnen ook fungeren als verschillende soorten bepalingen, bijvoorbeeld als bijwoordelijke bepaling of als voorzetselvoorwerp wanneer ze samen met een voorzetsel optreden:

  • We hebben college deze ochtend. (tijdsbepaling)
  • Ze woont een jaar in Utrecht. (duur)
  • We praten over die nieuwe theorie. (voorzetselgroep met NP)

In al deze gevallen herken je de NP aan de structuur: een (eventuele) bepaler, modificeerders, een kern en eventueel een aanvulling.


7. Lees ook

Wil je de naamwoordsgroep in een breder grammaticaal kader plaatsen? Bekijk dan ook deze pagina's:

  • Werkwoorden en werkwoordsgroepen — over de structuur en functies van werkwoordsgroepen in de zin.
  • Inflectie — over hoe het Nederlands woorden verbuigt en vervoegt (o.a. bijvoeglijke naamwoorden en werkwoorden).

8. Verder lezen