Niveau en begeleiding

Geschikt voor Niveau 1 – Onderbouw VO en Niveau 3 – MBO 1 en 2. De activiteit duurt ongeveer 25–35 minuten en kan zelfstandig of met begeleiding worden uitgevoerd.

Situatie

In een schooltekst, werkinstructie of stageverslag kom je soms een woord tegen dat je niet kent. Je kunt het woord meteen opzoeken, maar je kunt ook eerst onderzoeken welke aanwijzingen de tekst en het woord zelf geven. Daarna controleer je of je voorlopige betekenis klopt.

Leerdoel

Na deze activiteit kun je:

  • aanwijzingen rond een onbekend woord vinden;
  • onderzoeken uit welke betekenisvolle delen een woord bestaat;
  • een voorlopige betekenis formuleren;
  • de betekenis in een betrouwbare bron controleren;
  • het nieuwe woord zelf in een passende zin gebruiken.

Bekijk het voorbeeld

Lees de zin:

De schade aan het scherm was onherstelbaar: ook na meerdere reparaties werkte het niet meer.

Stel dat je het woord onherstelbaar niet kent.

Stap 1 – Kijk naar de context

De rest van de zin geeft aanwijzingen:

  • het scherm is beschadigd;
  • er zijn meerdere reparaties geprobeerd;
  • het scherm werkt nog steeds niet.

Een voorlopige betekenis kan daarom zijn: het kan niet meer worden gerepareerd.

Stap 2 – Onderzoek de woorddelen

Je kunt het woord verdelen in:

on + herstel + baar

  • on- geeft vaak een ontkenning aan;
  • herstel heeft te maken met herstellen of repareren;
  • -baar geeft vaak aan dat iets mogelijk is.

Ook de woorddelen wijzen dus in de richting van: niet te herstellen.

Stap 3 – Controleer de betekenis

Zoek het volledige woord op in een betrouwbaar woordenboek. Controleer:

  • of de betekenis overeenkomt met jouw voorlopige betekenis;
  • welke betekenis in deze zin past;
  • of het woordenboek een bruikbaar voorbeeld geeft.

Context en woorddelen geven aanwijzingen, maar zijn niet altijd voldoende. Het volledige woord kan een betekenis hebben die je niet rechtstreeks uit de delen kunt afleiden.

Opdracht 1 – Kies een onbekend woord

Kies een woord uit een schooltekst, werkinstructie, nieuwsbericht of stagetekst.

Heb je geen geschikt woord? Gebruik dan het vetgedrukte woord in deze tekst:

Door gebrek aan personeel was het plan onuitvoerbaar. Er waren niet genoeg mensen om alle werkzaamheden uit te voeren.

Opdracht 2 – Onderzoek de context

Schrijf op:

  1. In welke zin staat het woord?
  2. Welke woorden of zinnen geven een aanwijzing?
  3. Wat denk je dat het woord in deze tekst betekent?
  4. Hoe zeker ben je: weinig zeker, redelijk zeker of heel zeker?

Opdracht 3 – Onderzoek het woord

Bekijk of je herkenbare delen ziet.

  • Is het woord samengesteld uit twee woorden?
  • Herken je een voorvoegsel, zoals on-, her- of mis-?
  • Herken je een achtervoegsel, zoals -baar, -heid of -loos?
  • Welke betekenis hebben deze delen waarschijnlijk?

Niet ieder woord kan op een eenvoudige of betrouwbare manier in betekenisvolle delen worden verdeeld.

Opdracht 4 – Controleer je betekenis

Zoek het woord op in een betrouwbaar woordenboek.

Noteer:

  • de betekenis die bij jouw tekst past;
  • of je voorlopige betekenis klopte;
  • welke informatie je moest aanpassen of aanvullen.

Schrijf de woordenboekuitleg in je eigen woorden. Neem niet zomaar een volledige definitie over.

Opdracht 5 – Gebruik het woord

Schrijf een nieuwe zin waarin het woord dezelfde betekenis heeft.

Laat daarna het woord weg en vraag jezelf af:

  • Geeft de rest van mijn zin voldoende aanwijzingen?
  • Past het woord grammaticaal in de zin?
  • Gebruik ik het woord met de juiste betekenis?

Antwoord bij het voorbeeldwoord

Onuitvoerbaar kan worden verdeeld in:

on + uitvoer + baar

In de voorbeeldtekst betekent het: niet uitvoerbaar of niet mogelijk om uit te voeren. De context bevestigt dit doordat er onvoldoende mensen zijn om de werkzaamheden te doen.

Een mogelijke nieuwe zin is:

Zonder de juiste materialen bleek de opdracht onuitvoerbaar.

Andere zinnen kunnen ook goed zijn als de betekenis en het gebruik kloppen.

Controle

Je hebt de activiteit goed uitgevoerd als je:

  • aanwijzingen uit de context hebt genoemd;
  • voorzichtig een voorlopige betekenis hebt geformuleerd;
  • mogelijke woorddelen hebt onderzocht;
  • de betekenis hebt gecontroleerd;
  • het woord correct in een nieuwe zin hebt gebruikt.

Reflectie

  • Welke aanwijzing hielp het meest: de context, de woorddelen of het woordenboek?
  • Klopte je eerste verwachting volledig?
  • Wanneer kun je beter niet alleen op de context vertrouwen?
  • Wat ga je de volgende keer doen als je een onbekend woord tegenkomt?

Verbinding met taalkunde

De morfologie onderzoekt hoe woorden zijn opgebouwd. De semantiek onderzoekt betekenis. Bij deze activiteit gebruik je beide: woorddelen kunnen aanwijzingen geven over de betekenis, terwijl de zin en de situatie helpen bepalen welke betekenis bedoeld is. Door je verwachting te controleren, voorkom je dat een aannemelijke maar onjuiste betekenis blijft hangen.