Niveau en begeleiding

Geschikt voor Niveau 1 – Onderbouw VO en Niveau 3 – MBO 1 en 2. De activiteit duurt ongeveer 30–40 minuten en kan zelfstandig of samen worden uitgevoerd.

Situatie

Je gebruikt niet in iedere situatie precies dezelfde taal. Een bericht aan een vriend kan anders klinken dan een bericht aan een docent of stagebegeleider. Dat betekent niet automatisch dat de ene manier goed en de andere fout is. Belangrijk is of je taal past bij je doel, de ander en de situatie.

Leerdoel

Na deze activiteit kun je:

  • verschillen tussen twee manieren van taalgebruik herkennen;
  • taalgebruik afstemmen op doel, gesprekspartner en situatie;
  • uitleggen waarom je bepaalde woorden en formuleringen kiest;
  • voorkomen dat je één taalvorm altijd als beter voorstelt;
  • feedback gebruiken om je taalkeuzes te verbeteren.

Bekijk het voorbeeld

Sam wil vragen of een planning opnieuw kan worden gestuurd.

Bericht aan een klasgenoot:

Hé Noor, stuur je die planning nog even? Ik kan hem nergens vinden.

Bericht aan een stagebegeleider:

Goedemorgen mevrouw Smit, zou u de planning nogmaals kunnen sturen? Ik kan het bestand niet terugvinden. Alvast bedankt.

Beide berichten hebben hetzelfde doel. Toch verschillen onder andere de begroeting, aanspreekvorm, woordkeuze en mate van directheid.

Het tweede bericht is niet in iedere situatie automatisch beter. Sommige stagebegeleiders gebruiken voornamen en spreken studenten met je aan. Wat passend is, hangt ook af van de afspraken en gewoonten binnen een groep, school of werkplek.

Vier vragen bij taalkeuzes

Vraag jezelf af:

  1. Wat wil ik bereiken?
  2. Tegen wie spreek of schrijf ik?
  3. Waar en via welk medium communiceren we?
  4. Welke taal past bij onze relatie en de afspraken in deze situatie?

Opdracht 1 – Vergelijk de berichten

Bekijk de twee voorbeeldberichten opnieuw.

  1. Wat blijft inhoudelijk hetzelfde?
  2. Welke woorden en formuleringen verschillen?
  3. Waardoor klinkt het tweede bericht formeler?
  4. In welke situatie zou het eerste bericht ook aan een begeleider kunnen worden gestuurd?
  5. Welke informatie heb je nodig om te bepalen wat passend is?

Opdracht 2 – Kies een situatie

Kies één doel:

  • vragen of iemand een document opnieuw stuurt;
  • melden dat je later komt;
  • om extra uitleg vragen;
  • aangeven dat je het niet eens bent met een voorstel;
  • vragen of een afspraak kan worden verplaatst.

Bepaal vervolgens twee verschillende gesprekspartners, bijvoorbeeld:

  • een vriend en een docent;
  • een klasgenoot en een onbekende medewerker;
  • een collega en een leidinggevende;
  • een familielid en een stagebegeleider.

Opdracht 3 – Maak twee versies

Schrijf of spreek voor beide gesprekspartners een kort bericht met hetzelfde doel.

Verander alleen wat voor de situatie nodig is. Denk aan:

  • begroeting en afsluiting;
  • je, jij, u of een naam;
  • directe of voorzichtige formulering;
  • volledige woorden of informele verkortingen;
  • uitleg die de gesprekspartner nodig heeft;
  • toon en beleefdheid.

Opdracht 4 – Leg je keuzes uit

Vul voor beide versies aan:

  • Ik koos deze aanspreekvorm, omdat …
  • Ik formuleerde mijn verzoek zo, omdat …
  • Ik gaf wel/geen extra uitleg, omdat …
  • Deze versie past volgens mij bij de situatie, omdat …

Er kunnen meerdere passende antwoorden bestaan. Je uitleg en de informatie over de situatie bepalen of je keuze aannemelijk is.

Opdracht 5 – Vraag feedback

Laat iemand beide versies lezen of beluisteren zonder vooraf te vertellen voor wie ze bedoeld zijn.

Vraag:

  1. Voor welke gesprekspartner lijkt iedere versie bedoeld?
  2. Waaraan merk je dat?
  3. Is het doel van beide berichten duidelijk?
  4. Komt een formulering onnodig afstandelijk, direct of onduidelijk over?
  5. Welke verandering zou het bericht beter laten passen?

Opdracht 6 – Verbeter één versie

Kies één ontvangen feedbackpunt en pas daarmee een bericht aan. Controleer of het doel gelijk blijft en of de nieuwe formulering beter bij de gekozen situatie past.

Zelfstandige variant

Werk je alleen? Laat beide berichten een tijdje liggen en lees ze daarna vanuit het standpunt van de twee gesprekspartners. Noteer per bericht wat de ander waarschijnlijk over het doel, de toon en jullie relatie begrijpt.

Controle

Je hebt de activiteit goed uitgevoerd als je:

  • twee versies met hetzelfde communicatieve doel hebt gemaakt;
  • verschillen in taalgebruik kunt aanwijzen;
  • je keuzes hebt verbonden met de situatie en gesprekspartner;
  • niet alleen hebt geoordeeld in termen van goed of fout;
  • minstens één formulering na controle of feedback hebt verbeterd.

Reflectie

  • Welke taalkeuze veranderde het meest tussen jouw twee versies?
  • Wanneer gebruik jij zelf verschillende manieren van spreken of schrijven?
  • Kan informele taal in een formele omgeving passend zijn? Wanneer?
  • Wat kun je doen als je niet weet welke aanspreekvorm gebruikelijk is?
  • Wat zegt jouw taalgebruik over hoe je jezelf in verschillende situaties presenteert?

Verbinding met taalkunde

Mensen beschikken over een talig repertoire: verschillende manieren van spreken en schrijven die zij in verschillende situaties kunnen inzetten. Zo’n manier van taalgebruik wordt ook wel een register genoemd. Welke keuze passend is, hangt samen met doel, gesprekspartner, medium, groep en context. De sociolinguïstiek en pragmatiek onderzoeken zulke verschillen en de betekenissen die taalgebruikers eraan geven.

Deze activiteit sluit vooral aan bij kerndoel 7: De leerling verkent het gebruik van taal. Ook communicatie en reflectie op taalgebruik spelen een rol.