Ttaal-coach.nl ← Kies je niveau
Taal-coach.nl / Taalvragen / Werkwoordspelling
Concrete taalvraag

Wanneer schrijf je d, t of dt?

Je kunt het verschil vaak niet horen. Daarom kijk je niet alleen naar de klank, maar vooral naar de opbouw en de functie van het werkwoord.

Niveau: basis — vmbo-onderbouw; ook bruikbaar voor vmbo-bovenbouw en mbo
Leerdoel: je kunt eerst de werkwoordsvorm bepalen en daarna uitleggen waarom je d, t of dt schrijft.
Leestijd: ongeveer 5 minuten

Het korte antwoord

Stel eerst vast welke werkwoordsvorm je schrijft.
Bij een persoonsvorm in de tegenwoordige tijd kijk je naar het onderwerp en de plaats van het werkwoord. Bij een voltooid deelwoord bepaal je de uitgang op een andere manier. Er bestaat dus niet één losse ‘dt-regel’ voor alle werkwoorden.

Deze basispagina behandelt de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd en het regelmatige voltooid deelwoord. Andere werkwoordsvormen kunnen later in een aparte taalvraag worden verdiept.

Wat denk jij?

Schrijf je word of wordt?
“___ jij later kok?”

Voor school: de regel en het stappenplan

Stap 1: bepaal of je een persoonsvorm of een voltooid deelwoord schrijft.
Stap 2: kies daarna de regel die bij die werkwoordsvorm hoort.
Stap 3: controleer de vorm in de hele zin.

1. Persoonsvorm in de tegenwoordige tijd

Gebruik de ik-vorm als praktische schrijfvorm van de stam. Bij worden is dat ik word.

Onderwerp en volgorde Vorm Voorbeeld
ik ik-vorm Ik word zestien.
jij/je vóór het werkwoord ik-vorm + t Jij wordt zestien.
jij/je achter het werkwoord ik-vorm Word jij zestien?
u, hij, zij, het of een naam ik-vorm + t Sam wordt zestien.
Waar komt dt vandaan?
De d hoort al bij de ik-vorm word. Voor jij wordt en hij wordt komt daar de uitgang -t bij: word + t = wordt.

2. Voltooid deelwoord

Bij een regelmatig voltooid deelwoord kies je aan het einde tussen -d en -t. Vergelijk de verleden tijd:

Hoor je in de verleden tijd -te, dan eindigt het voltooid deelwoord op -t. Hoor je -de, dan eindigt het op -d. Je voegt hier nooit als uitgang -dt toe.

Vanuit de taalkunde: waarom werkt dit zo?

Woorden (morfologie) onderzoekt hoe woorden zijn opgebouwd. In wordt zie je een stam en een uitgang: word + t.

Zinnen (syntaxis) onderzoekt de relatie tussen de persoonsvorm en het onderwerp. Die relatie bepaalt hier of de uitgang -t nodig is.

Klankleer verklaart waarom je het verschil niet altijd hoort. Aan het einde klinken word en wordt in de gewone uitspraak hetzelfde. De spelling laat de grammaticale opbouw toch zien.

Probeer

Kies de juiste vorm: Mijn broer ___ morgen zestien.

Regel én verklaring

Voor school moet je de spellingregel kunnen toepassen. De taalkunde vervangt die regel niet, maar laat zien waarom je naar de stam, het onderwerp en de werkwoordsvorm kijkt.

Bronnen bekijken

Externe bronnen bevatten meer regels en voorbeelden. Externe bronnen openen pas na jouw klik. Keer daarna terug naar taal-coach.nl om verder te gaan.